Home  //  Onderwerpen Behandelaars over behandeling/begeleiding whiplash  //  Whiplash en spiegelneuronen/vervolg

Whiplash en spiegelneuronen/vervolg

Whiplash en spiegelneuronen/vervolg


Whiplash de Baas heeft onderzoekers vragen gesteld over effect spiegelneuronen t.a.v. lotgenotenconact en daarbij de invloed op pijn en vermoeidheid. Jorn Hogeweg, directeur PELS Instituut en lid adviesraad Whiplash de Baas, schreef al eens een artikel over spiegelneuronen.

 

Mensen spiegelen

– aanvoelen hoe het moet
Over de werking van spiegelneuronen

Auteur
Jorn Hogeweg (1960) is fysiotherapeut en psychodramatherapeut. Hij is directeur van het PELS instituut in Amsterdam. Het PELS instituut richt zich op neurofeedback, coaching- en arbeidsreïntegratie bij mensen met een (arbeids)handicap of een loopbaanwens. Hij promoveerde in 1995 bij de Universiteit Utrecht op een proefschrift dat ging over pijnperceptie bij kinderen en de rol van het zenuwstelsel. Hij is redacteur van Physios.

Trefwoorden
Motorisch leren, spiegelneuronen, autisme, ideomotorisch model, psychodrama

Samenvatting
In de jaren ’90 zijn in het menselijk brein spiegelneuronen ontdekt. Oorspronkelijk dacht men dat dit motorische neuronen waren, maar het bleek dat deze neuronen tevens een rol spelen bij ons gevoel, inlevingsvermogen en taalbegrip. Het gangbare sensomotorische model kan het bestaan van spiegelneuronen niet verklaren en kan daarom beter aangevuld worden door het ideomotorisch model, waarbij bewegen centraal staat. Actie en doel van de actie zijn belangrijke factoren als we iets leren. Oefeningen kunnen het beste in een zinvolle context gegeven worden, waarbij een actie uitgelokt wordt. Leren door imitatie, ‘modelling’ en het spelen van rollen behoren tot het fysiotherapeutisch instrumentarium dat een beroep doet op spiegelneuronen. Als van de verbeelding gebruik gemaakt wordt, zijn er eindeloos veel meer mogelijkheden om functioneel te oefenen.

Leerdoelen
Na het bestuderen van dit artikel:
 Weet u wat spiegelneuronen zijn
 Kunt u imitatieleren toepassen in therapievormen
 Kunt u uitleggen dat (toekomst)projecties en het spelen van rollen als therapievormen een beroep doen op spiegelneuronen
 Legt u een verband tussen ‘aanvoelen’, handelen en een doel bereiken
 Legt u de relatie tussen spiegelneuronen en dubbelen, spiegelen en rolwisseling
 Bent u in staat het belang van het ideomotorische model voor de fysiotherapie onder woorden te brengen

1. Inleiding
Vroeger wisten we hoe het zenuwstelsel in elkaar zat. Je had grofweg neuronen voor de waarneming en voor de motoriek. Deze indeling is op zijn kop komen te staan sinds de vondst van spiegelneuronen in het brein in de jaren ’90 van de vorige eeuw. Deze neuronen zijn actief zowel als de persoon zelf een handeling uitvoert als bij het waarnemen van een handeling van een ander. Met deze neuronen bootsen we in ons hoofd voortdurend het gedrag van andere mensen na en voelen alsof we het zelf doen. Het imiteren van anderen in ons brein is een heel belangrijk uitgangspunt voor ons sociaal gedrag. Ook in de fysiotherapie kunnen we gebruik maken van spiegelen als we anderen nadoen, (toekomst)projecties van onze handelingen maken of een ander onszelf zien uitbeelden. In dit artikel behandelen we achtereenvolgens spiegelneuronen, hun rol bij empathie en doelgericht handelen in een bepaalde situatie, inbeelden als mentale oefening, uitbeelden en psychodrama. We bespreken dat het ideomotorisch model als concept beter voldoet dan het gangbare sensomotorisch model.

2. Spiegelneuronen
Lange tijd werd de cognitiewetenschap overheerst door de gedachte dat activiteiten van het menselijk brein die verantwoordelijk zijn voor taal en hogere cognitieve functies vergelijkbaar zijn met computertaal met zijn eigen regels en symbolen. Mentale activiteiten zouden los van het lichaam staan en het lichaam diende slechts als uitvoerapparaat voor commando’s. De moderne visie is echter dat onze mentale processen gevormd worden door zintuiglijke en motorische ervaringen die weer het product zijn van de interactie van ons lichaam met de ons omringende wereld. Dankzij spiegelneuronen simuleren mensen automatisch in het brein de bewegingen van de favoriete sporters naar wie ze kijken, en voelen ze pijn als ze zien dat iemand zich pijn doet. Dit gebeurt onbewust bij het zien/horen van mensen waarmee wij ons verbonden voelen of willen verbinden. Mensen die sympathie voor iemand hebben, doen elkaar in woord, gebaar en gedachten na. We kunnen ontroerd raken bij het zien en horen van mensen als we naar een spannende film kijken. Gedachten lezen, empathie, inlevingsvermogen, aanvoelen - het zijn belangrijke aspecten in therapie en voorwaarden voor vooruitgang en beschaving. De spiegelneuronen in ons brein maken dit alles mogelijk. En spiegelen doen we razendsnel.

2.1 De eerste ontdekking
In het Italiaanse Parma ontdekten wetenschappers aan het einde van de vorige eeuw het bestaan van spiegelneuronen. Een populair verhaal gaat als volgt. Een groep neurofysiologen onderzocht bij apen hoe de hersenen bewegingen aansturen. Ze deden dat door elektroden in de prémotorische cortex te implanteren, die elk de activiteit van één zenuwcel meten. Op een gegeven moment zou één van de onderzoekers het lab in zijn gelopen terwijl hij aan een ijsje likte. De proefaap van dat moment zat rustig op een stoel en bewoog niet. Toch gaf de computer plotseling aan dat de onderzochte cel in zijn motorische cortex hevig vuurde. Met andere woorden: de hersenactiviteit van deze aap duidde erop dat het dier bewoog - maar dat was niet zo. De zenuwcel in zijn motorische cortex werd actief doordat de aap iemand zag bewegen. Een revolutionaire observatie, want motorische zenuwcellen horen niet te vuren als iemand stilzit, dacht men toen - die vuren alleen als die persoon zelf beweegt. Het verhaal is een constructie achteraf: in werkelijkheid begrepen de neurowetenschappers bij de eerste waarnemingen van spiegelneuronen helemaal niet wat ze zagen. Toen deze onderzoekers jaren later nog eens terugkeken naar hun laboratoriumnotities, troffen ze daar vage aantekeningen aan. Maar het is een aansprekend en illustratief verhaal.

2.2 Het spiegelend brein
De schrijver en onderzoeker Iacoboni schreef het boek “Het spiegelende brein” over inlevingsvermogen, imitatiegedrag en spiegelneuronen. Iacoboni is een Amerikaanse hersenneuroloog van Italiaanse afkomst van een onderzoeksgroep uit Los Angeles in de Verenigde Staten. Hij vertelt in zijn boek stap voor stap wat de betekenis van deze neuronen is voor ons inlevingsvermogen en hoe ons sociaal gedrag door imitatie gevormd wordt. Niet alleen positieve aspecten komen aan bod, ook negatieve zoals de imitatie van geweld bij computerspelletjes. Hij filosofeert of we rationeel of irrationeel keuzes maken en of we nog wel over een 'vrije wil' beschikken als we zoveel spiegelen. Inmiddels zijn er van Iacoboni publicaties in Nature en Science. Zijn bevindingen hebben ook belangrijke consequenties voor de fysiotherapeutische praktijk bij het aanleren van nieuwe handelingen. Later zijn de onderzoeken in de Verenigde Staten herhaald en uitgediept.

2.3 Ontstaan van spiegelneuronen
Waarschijnlijk hebben mensen al bij hun geboorte zenuwcellen die zich tot spiegelneuronen ontwikkelen. Vanaf onze geboorte doen we elkaar dan ook na. Denk maar aan ouders die hun tong uitsteken naar hun baby. De baby antwoordt onmiddellijk met ook zijn tong uit te steken. Zelfs een pasgeborene is daartoe al in staat. Er is helemaal geen visuele of auditieve feedback voor nodig. Er zijn niet allerlei cognitieve processen. De baby handelt meteen en spiegelt de motoriek van de ouders onmiddellijk. Maar het omgekeerde gebeurt ook. Als een baby bijvoorbeeld naar zijn moeder kijkt en glimlacht, dan lacht de moeder meteen terug - uiteraard, want ze is blij dat haar baby glimlacht. Het is een vorm van ‘spiegelen’, dat wil zeggen in houding en beweging nadoen wat de ander doet. Op dat moment associëren de hersenen van de baby de eigen actie van het glimlachen met het zien glimlachen van iemand anders, en dan ontstaat er een spiegelneuron voor glimlachen.

2.4 Adequaat handelen door inleven
Door het ‘spiegelen’ bevestigen we het bestaan van de ander en zo ontstaan er sociale banden. Als er minder spiegelneuronen zouden zijn, zouden baby’s en volwassenen niet zo gretig op elkaar reageren, en zouden mensen opgroeien met veel minder empathisch vermogen. Het babybrein reageert al vanaf zeven maanden op emoties, die bijvoorbeeld in onze stemmen doorklinken. Vergeleken met een neutraal stemgeluid wordt de respons van de hersenen hoger bij vrolijke of boze intonatie. Dus het zijn vooral ook emoties die uitnodigen tot activiteit van spiegelneuronen. Het inlevingsvermogen door spiegelneuronen gaat verder: als haar baby huilt, huilt de moeder in haar brein ook, maar tegelijkertijd wordt een hersengebied actief voor adequate handelingen: het klaarmaken van een flesje melk bijvoorbeeld. In dit hersengebied zijn een soort super-spiegelneuronen die adequate handelingsscenario’s in gang zetten. Als therapeuten zijn wij natuurlijk geïnteresseerd hoe we in onze behandeling deze adequate handelingsscenario’s kunnen oproepen.

2.5 Empathie en gebroken spiegels
Spiegelneuronen zijn dus "slimme cellen" die ons in staat stellen om anderen (ook onze patiënten) te begrijpen. Het spiegelsysteem stelt ons in staat om letterlijk in de huid van anderen te kruipen, het wordt beschouwd als de cerebrale basis van ons empathisch vermogen. Dat invoelen lijkt bij autistische kinderen te haperen, de spiegelneuronen werken bij hen niet goed. Als je filmpjes bekijkt van de eerste verjaardag van kinderen met autisme, zelfs nog vóórdat de diagnose van autisme is gesteld, dan blijkt onder meer dat ze niet naar mensen kijken op momenten dat je dat wel van ze zou verwachten. En als een baby geen contact maakt met een ander, worden er ook geen nieuwe spiegelneuronen gevormd. Mensen met autisme hebben als het ware ’gebroken spiegels’ tot hun beschikking. Het “lezen van andermans intentie” is lastig voor mensen met een autistische aandoening. Zij nemen bijvoorbeeld bedoelingen van anderen slecht waar.

3 Brug tussen de ander en jezelf
Spiegelneuronen vormen de brug tussen de ander en jezelf. Ze zijn het ‘scherm’ in ons brein waarop we andermans handelingen in onze hersenen ‘projecteren’ zoals in een diavoorstelling. Dit levert allerlei mogelijkheden op om te ervaren hoe dat gedrag van die ander is. En we kunnen ook ‘droog oefenen’ als we in gedachten het gedrag van die ander enigszins veranderen en maken tot ons eigen gedrag. We kunnen ons vervolgens voorstellen of we met nieuw gedrag onze doelen kunnen bereiken en in welke situatie (context) dit ons lukt.

3.1 Aanvoelen hoe het moet in bepaalde situaties - intuïtie
Proefpersonen die een filmpje zien van een arm die een theekopje grijpt dat op een keurig gedekte tafel staat, activeren spiegelneuronen die met drinken te maken hebben. Als de arm in het filmpje naar hetzelfde theekopje reikt vanaf een rommelige tafel met kruimels en vieze servetten, worden bij de toeschouwer automatisch spiegelneuronen actief die met opruimen te maken hebben. Motorisch gezien is de grijphandeling hetzelfde, maar niet het doel dat de toeschouwer voor ogen heeft (jezelf voeden met drank of afruimen van de tafel). De neuronen anticiperen blijkbaar op het resultaat; zij kunnen al voorspellen hoe het verder gaat. In de sociale omgang is dit heel belangrijk. Pure imitatie is zelden het doel; aanvullend reageren op andermans gedrag waarbij het resultaat telt, ligt veel meer voor de hand. Hoe adequaat ons handelen is in relatie tot het doel van ons handelen, blijkt dus contextafhankelijk. Onze intuïtie wordt gewekt als we een handeling waarnemen in de context. Veel ouders kennen de geluiden van hun spruit. Als ze een bepaald geluidje horen van hun baby of peuter, kunnen ze precies vertellen wat -ie aan het doen is zonder dat ze hem of haar zien. Dat ene geluidje triggert de spiegelneuronen in de motorschors van de ouders. Het heeft met de situatie te maken; ze weten en voelen wat hun kind doet op een bepaalde tijdstip en daar horen bepaalde geluiden bij. Is dit een ander geluid, dan zijn zij direct waakzaam. Zij voelen direct ‘intuïtief‘aan hun eigen lichaam dat er iets mis is.

4 Een nieuw model: het ideomotorisch model
Tot nu toe geldt in de fysiotherapie het gangbare sensomotorische model. Wij leerden vroeger dat zintuigelijke stimuli het vertrekpunt zijn voor het zenuwstelsel, dan volgt een bewerking (black box) en handelingen vormen slechts een reactie op de stimuli. Door de ontdekking van spiegelneuronen is het gewaar worden van een beweging in een bepaalde context de basis voor ons handelen waar we direct een gevoel bij hebben. Het activeert ons inlevingsvermogen en we begrijpen direct de intentie. Op centraal niveau is handelen en voelen dus een zelfde soort actie. Het sensomotorische model als enige model voldoet dus niet meer. We moeten dus op zoek naar een ander model: het ideomotorisch model.

4.1 Bewegen centraal
Het ideomotorische model stelt het (motorische) handelen van het individu vanuit een intentie of idee zelf centraal. Het handelen moet vooral worden beschouwd als middel om intenties te realiseren. De idee (van ideomotorisch), of het doel, hoeft niet heel erg bewust in onze gedachten aanwezig te zijn. Het is meer een aanvoelen van de bedoeling. Als we dichterbij dat doel komen of juist er verder vanaf raken, ervaren wij emoties. Dat kunnen prettige emoties zijn, ‘het gaat mij lukken’ of juist frustrerende gevoelens ‘ik krijg niet wat ik hebben wil’. Het ideomotorisch model vindt zijn oorsprong in de inzichten van twee filosofen uit de negentiende eeuw, de Duitser Rudolph Hermann Lotze (1817-1881) en de Amerikaan William James (1842-1910). Onafhankelijk van elkaar betoogden zij dat de verbeelding van het beoogde (bewegings)doel voldoende is om een handeling onmiddellijk te activeren.

4.2 Een voorbeeld vanuit het ideomotorisch model
Als je in het verleden hebt geleerd dat je door op en bepaalde knop te drukken je computer aanzet, zal alleen de gedachte aan het aanzetten van je computer in je hersenen het beeld activeren van de vingerbewegingen die je gebruikt om de knop in te drukken. En ook als je ziet dat iemand anders die handeling uitvoert, activeert dat volgens dezelfde logica van het ideomotorische model in onze verbeelding dat wijzelf onze vingers gebruiken om de computer aan te zetten. Wij kennen de afloop van ons eigen handelen alleen al door anderen handelingen te zien doen. Dit onderstreept het belang van bewegen bij het ervaren van de wereld. Het ideomotorisch model sluit dus aan bij het concept van de spiegelneuronen. Laten we ingaan op wat dit betekent voor de fysiotherapiepraktijk

5. Fysiotherapie en spiegelneuronen
Fysiotherapeuten kunnen als bewegingsspecialisten hun voordeel doen bij de toegenomen belangstelling voor het spiegelneuronenconcept vanuit het ideomotorische model. In dit hoofdstuk bespreken bij welke therapievormen spiegelneuronen actief zijn en hoe fysiotherapeuten doelbewust het concept van spiegelneuronen kunnen aanspreken.

5.1 Imitatieleren
Veel fysiotherapeuten maken al gebruik van het spiegelsysteem zonder zich daarvan bewust te zijn. Denk alleen al aan meedoen met oefenen in plaats van instructies. Spiegelneuronen reageren niet alleen op het zien van beweging, maar ook het horen. Het horen van “strek je rechter elleboog naar het plafond alsof je een boek op de kast neerzet” activeert delen van je brein die betrokken zijn bij het strekken van je rechterarm. Andere vormen van imitatieleren zijn: kijken naar videobeelden van jezelf als je iets doet of van iemand anders, kijken in de spiegel als je aan het oefenen bent, kijken naar een DVD, oefenen met de Wii Fit. Ook in de danswereld is een demonstratie en imitatie heel normaal. Het inbeelden en nadoen van een voorbeeld (‘beweeg je arm als Lee Towers’) wordt ook wel ‘modelling’ genoemd. De therapeut zoekt doelbewust een aansprekend voorbeeld (model) voor de patiënt om na te doen.
Modelling Bij een patiënt bij wie de gebruikelijke verbale instructie niet of moeizaam werkt vanwege dementie, afasie of omdat de persoon de Nederlandse taal niet machtig is, kan de fysiotherapeut actief en gericht inzetten op imitatieleren. Dat wil zeggen dat een handeling getoond wordt 1) met een duidelijk zinvol doel, 2) die voor de patiënt haalbaar is en 3) in een duidelijke context. De fysiotherapeut doet voor, of roept een voorbeeld op

5.2 Inzetten empathisch vermogen
Het empatisch vermogen zet de fysiotherapeut bewust of onbewust voortdurend in tijdens een behandeling. De therapeut ‘voelt’ en begrijpt wat de patiënt meemaakt. Dit is essentiëel om het bewegen van de patiënt te begrijpen. Op zijn beurt voelt de patiënt zich door de therapeut begrepen. En dat draagt positief bij tot de genezing. Sommige therapeuten draaien dit principe om. Zij spiegelen in hun eerste contact de cliënt in hun houding en intonatie en krijgen op die manier sneller een vertrouwensband en inzicht in de problematiek van de cliënt.

5.3 Inbeelden als mentale oefening
Goede behandelopties die aansluiten op het ideomotorisch model en spiegelneuronen zijn het in gedachten ervaren hoe je iets gaat doen of eerder hebt gedaan. Bijvoorbeeld weer de bus instappen als onderdeel van de revalidatie na een gebroken been of het herleren van looppatroon na de immobilisatieperiode. Een dergelijke oefenvorm is uit te voeren door in een ontspannen toestand een zo levendig mogelijk (‘in geuren en kleuren’) voorstelling te maken van de gewenste situatie. Wanneer je ergens een voorstelling van maakt (projecteert) en in je hoofd oefent, begint de aanleg van spiegelneuronen alweer. Topsporters maken hier veel gebruik van.
Future pacing / mental practice is in gedachten bewegingen maken en handelingen verrichten. De therapeut let daarbij welke lichaamstaal de patiënt heeft in de oefensituatie. Als de patiënt zich de handeling kan voorstellen terwijl daarbij zijn reacties positief zijn (ontspannen lichaamshouding), zal hij ook in realiteit de handeling beter beheersen.

5.3 Uitbeeldende therapie
Bewust gebruik maken van vormen van uitbeeldende therapie levert vaak goede oefensituaties op. Tijdens het uitbeelden maken de neuronen in ons hoofd een beeld wat bewegingen en handelingen ons opleveren. De sportrevalidatie maakt al langer gebruik van situatiespelvormen in de opbouw van de training. De opbouw bij een handballer met een blessure is bijvoorbeeld: 1. oefenen zonder tegenstander (=droog oefenen) 2. weerstand door middel van pionnen en dergelijke (= moeilijker maken, uitdagen) 3. oefenen met een tegenstander die een lichte weerstand geeft in de training (=tegenspeler introduceren) 4. wedstrijd met publiek (de werkelijke situatie). Tijdens het situatiespel oefent de speler hoe hij handelt als hij een tegenstander in werkelijkheid ontmoet en een wissel neemt.

5.4 Onbewust leren
Als we ons bewegingen van anderen inbeelden, of onszelf zien bewegen in de toekomst, of iets uitbeelden in een situatie zijn we vaak onbewust aan het leren. Wij denken vaak dat we iets doen na een bewuste beslissing, maar veel van ons handelen blijkt gebaseerd op onbewuste ingevingen. Veel kunstenaars of schrijvers weten wel dat iets opeens kan lukken wat eerst niet lukte na een nachtje slapen of een ontspannen wandeling in de natuur. Dit komt misschien doordat we min of meer een doel hebben geformuleerd en dat hebben losgelaten; onbewust gaat het proces door en ineens valt alles op zijn plaats. Dus het kan zinvol zijn om iets te oefenen door er een voorstelling van te maken en dan een tijdje te laten rusten. In een volgende behandeling kan de therapeut terugkomen op de oefening en vaststellen of er vooruitgang geboekt is. Ook als er een beroep gedaan is op de spiegelneuronen.

6 Uitbeeldende therapie bij psychodrama
Als fysiotherapeut die ook psychodramatherapeut is, maak ik graag gebruik van uitbeeldende technieken zoals in psychodrama. In dit hoofdstuk vertel ik meer over de achtergrond van psychodrama en ga ik in op technieken als dubbelen en spiegelen, die naar mijn mening bruikbare technieken zijn voor de fysiotherapie.

6.1 Psychodrama J.L. Moreno, (1889-1974), een jongere tijdgenoot van Freud, was de grondlegger van psychodrama. Volgens hem vormt beweging en actie, zoals dat ontstaat in drama, en niet praattherapie de weg naar beter functioneren. Handelen en (aan)voelen zijn een aan elkaar gekoppeld fenomeen. Psychodrama is één van de weinige therapievormen die dit zo exclusief naar voren brengt. Moreno noemt de hoofdspeler de protagonist (zoals in de Griekse oudheid) en de tegenspeler de antagonist. Als een patiënt klaagt over het onbegrip van een collega op het werk voor haar nekklachten is dat eigenlijk al een toneelstukje dat de persoon vertelt. De patiënt is in dit toneelstuk de hoofdrolspeler en de collega de tegenspeelster. Met name de technieken dubbelen en spiegelen maken volgens de huidige inzichten gebruik van spiegelneuronen.

6.2 Dubbelen en spiegelen
Tijdens een dramaspel maakt de therapeut gebruik van technieken als dubbelen (een of meer groepsleden verwoorden de gevoelens van de protagonist), spiegelen (een groepslid speelt de rol van de protagonist), van rol wisselen (de hoofdspeler speelt de rol van de antagonist) en het vragen van terzijdes (time-outs die de therapeut inlast om gevoelens en situaties te checken). De protagonist, tegenspeler of antagonist en de andere groepsleden ontwikkelen in het spel een creatievere en meer bevredigende wijze van handelen. Dit mondt uit in sharing na afloop: deelnemers wisselen hun ervaring rond het probleem uit. De therapeut heeft hierbij de taak de verschillende bijdragen in te bedden, te voorkomen dat mensen overgaan tot goedbedoeld advies, te zorgen voor een goede samenvatting en complimenten uit te delen voor de constructieve samenwerking. Ten slotte geeft hij of zij vaak huiswerk: iets doorlezen, oefenen met behandelde thema’s of kijken naar positieve ervaringen.

6.3 Droog oefenen
In een situatiespel is het mogelijk om zo waarheidsgetrouw mogelijk iets uit te beelden. Als het helemaal waarheidsgetrouw is, is het vaak moeilijk om te oefenen met nieuw gedrag. Bij droog oefenen kunnen we wat er gebeurt even stop zetten, terugspoelen en kijken hoe een ander het gedaan zou hebben. En hernemen hoe je het zelf gaat doen. Je kan zeggen dat de omgeving die neergezet wordt de ‘ecologie’ is waarin de patiënt zich begeeft. Als een patiënt zich kan inbeelden dat een handeling ook in het echt kan plaatsvinden in de voor hem bekende context, kan hij experimenteren met nieuw gedrag. In de dynamische systeemtheorie wordt de relatie met de omgeving en de context benadrukt. Waar de behandeling vroeger vooral functiegericht was met een nadruk op het trainen van spierkracht, houding en symmetrie, ligt tegenwoordig de nadruk op het activiteiten- en participatieniveau. Door gebruik te maken van de juiste omgeving en juiste situatie, breidt men zijn therapeutische mogelijkheden enorm uit. Het is altijd mogelijk om een virtuele werkelijkheid uit te beelden in een situatiespel of door een toekomstprojectie.

7 Conclusie – waarom ‘droog oefenen’ helpt
Tijdens het uitbeelden van de handeling (of verbeelding) kunnen we in onze eigen schoenen staan, in de schoenen van de ander, of in de schoenen van een toeschouwer. We kunnen ons handelen even ‘terugspoelen’ en iets net even anders aanpakken. De informatieverwerking die ontstaat door nieuwe ervaringen, gaat samen met nieuwe neuronenverbindingen en nieuw gedrag. De ontdekking van spiegelneuronen heeft een verandering van paradigma teweeg gebracht waardoor onze ogen geopend zijn voor de circulaire samenhang tussen bewegingen en perceptie (volgens het ideomotorisch model). Fysiotherapeuten kunnen hun behandelingsmogelijkheden verrijken door gebruik te maken van de werking van spiegelneuronen. Zij kunnen het ‘spiegelen’ bewust gebruiken, door zelf bewegingen voor te doen, die de patiënt kan nabootsen, door een beeld op te roepen, waarbij de patiënt toekomstprojecties van handelingen maakt (inbeelden), en ook door anderen in te schakelen in de vorm van een situatiespel en psychodrama.

Literatuur
• Iacoboni M. Het Spiegelende Brein. (uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam) 2008.
• Prinz W “An ideomotor Approach to Imitation” in Hurley S., en N. Chater, Perpectives on Imitation: From neuroscience to Social Science. Vol 1: Mechanisms of Imitation in Animals (Cambridge MA: MIT Press, 2005) 141-56.
• J.L. Moreno. Psychodrama. First Volume. (Beacon House Inc., Beacon, New York) 4th edition, 1972
• Dijksterhuis A. Het slimme onbewuste; denken met gevoel. (uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam) 2008
• Van Cranenburgh B. Welke leerstrategie en waarom? Physios 1.2, Dec 2009, 12-27.
• Van der Veen R., Smelt J., Hullegie W. Functionele training en zelfredzaamheid bij CVA in de chronische fase. Physios 1.2, Dec 2009, 21-33.
• Ramachandran V.S., and Oberman L.M. Broken Mirrors: A Theory of Autism. Scientific American Magazine. Nov 2006
• Damasio, Antonio.The Feeling of What Happens — Body, Emotion and the Making of Consciousness, Vintage. Ned. vert. Ik voel dus ik ben — hoe gevoel en lichaam ons bewustzijn vormen, Wereldbibliotheek, 1999
De auteur dankt vele vrienden en kennissen voor hun bijdrage, in het bijzonder Jacomien Ilbrink voor haar stimulans om fysiotherapie, spiegelneuronen en